top of page
Zoeken
  • Foto van schrijverLode Robben

Burn-out verzwijgen en solliciteren.

Bijgewerkt op: 19 jun. 2020

De wilsgebreken van bedrog en dwaling leiden tot de nietigheid van de arbeidsovereenkomst wanneer de solliciterende werknemer niet alleen zijn langdurige burn-out verzwijgt maar bovendien actief een situatie in scène zet alsof hij nog daadwerkelijk bij zijn werkgever aan het werk was. (Arbeidshof Brussel 2017)

 
16. Terecht zegt de eerste rechter dat een doorgemaakte ziekte een privéaangelegenheid is. Hieraan kan toegevoegd worden dat een werkgever niet zonder meer op grond van een huidige of toekomstige ziektetoestand van een sollicitant een aanwerving mag weigeren, want dit vormt op grond van art. 3 van de antidiscriminatiewet een beschermd criterium (Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (BS 30 mei 2007 (tweede uitg.), addendum, BS 5 juni 2007 (eerste uitg.). Wanneer de ziekte de vorm van een handicap aanneemt, mag de werknemer ook redelijke aanpassingen verwachten. Maar een afwijking van deze bescherming kan op grond van art. 8 van deze wet gerechtvaardigd zijn op grond van wezenlijke en bepalende beroepsvereisten. 17. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de heer C. veel verder ging dan het verzwijgen van zijn burn-out; hij heeft actief een situatie in scène gezet alsof hij nog daadwerkelijk bij Oracle aan het werk was; dit deed hij door sollicitatiecontacten uit te stellen omdat hij zogenaamd op weg was naar een klant van zijn vorige werkgever in Nederland of omdat hij zogenaamd in een bespreking was. 18. Deze elementen volgen uit de verklaring van de heer Luc Janssens, die voor Ricoh de besprekingen deed en die ervan uitging dat hij in een volledige vertrouwensrelatie met de heer C. stond. Ten onrechte wil de heer C. deze verklaring, die in dezelfde lijn ligt als deze van mevrouw B. en de heer S. V., verdacht maken. Al deze verklaringen zijn opgesteld overeenkomstig art. 961/2 Ger. W.; ze zijn geloofwaardig en bewijskrachtig. Overigens bevestigt de heer C. zelf in zijn sms’jes dat hij een buitengewoon loonpakket onderhandeld heeft en verwijst hij daarin ook naar een burn-out. Zijn betwisting van bovenvermelde verklaringen is dan ook ongeloofwaardig. 19. Bij het actief opwekken van een valse schijn aanvaardt men listige kunstgrepen die tot bedrog leiden (A. VAN BEVER, a.w. 120, nr. 5). Dit is hier het geval. De heer C. wendt een ‘liegrecht’ voor, maar veronachtzaamt dat hij bij een onderhandeling te goeder trouw ook een spreekplicht kan hebben en dat het niet nakomen ervan ook tot bedrog kan leiden. In de bijdrage van auteur VAN BEVER wordt dit als volgt toegelicht: Zo zal er een spreekplicht zijn wanneer men van bepaalde kennis daadwerkelijk op de hoogte is en bovendien goed weet hoe belangrijk die informatie kan zijn voor de toestemming van de tegenpartij zonder dat men van die laatste kan verwachten dat die zich ter zake zelf had moeten informeren. Deelt men dergelijke kennis opzettelijk niet mee met de bedoeling de tegenpartij te doen dwalen, dan overstijgt die bewuste verzwijging het loutere stilzwijgen en resulteert zij in bedrog. De heer C. heeft een valse situatie in scène gezet om te verhinderen dat zijn toekomstige werkgever hoogte zou krijgen van zijn situatie en hierover verder zou informeren. Hij handelde opzettelijk en met de bedoeling de realiteit te verbergen om zo de instemming van Ricoh met de nieuwe arbeidsovereenkomst te bekomen. 20. Nochtans moet nog worden onderzocht of het bedrog determinerend is geweest voor het sluiten van de overeenkomst onder de bedongen voorwaarden, waaronder de afgesproken prijs, zoals in dit geval de bedongen financiële voordelen (Cass. 17 februari 2012, RW 2012-13, 1625 met noot). De determinerende aard voor een aanwerving is bij burn-out niet evident en moet in concreto worden onderzocht. Immers een dergelijke ziekte kan louter familiaal- of persoonsgeboden zijn, maar ze kan ook sterk arbeid gerelateerd zijn. 21. Een leidraad voor de afweging vormen de art. 11 en 13 van de cao nr. 38 (zie randnummer 15). Informatie die niet relevant is, mag door de werkgever niet gevraagd worden; relevante informatie over beroepsverleden moet door de sollicitant worden meegedeeld. Wanneer men liegt bij niet relevante informatievragen zal er geen wilsgebrek ontstaan, omdat de informatie niet determinerend is. Prof F. HENDRICKX heeft het beladen begrip ‘liegrecht’ – want op gespannen voet met de goede trouw van art. 13 van de cao nr. 38 – terecht omschreven als een schild, geen zwaard, en mag enkel uitgeoefend worden om een schending van de privacy af te wenden, en indien geen andere middelen daartoe volstaan (F. HENDRICKX, “ Privacy en arbeidsrecht” Jur. Falc. 1998-99, 626). Verder volgt uit art. 13 van de cao nr. 38 omgekeerd dat een sollicitant voor relevante informatie een spreekplicht heeft. 22. De heer C. heeft tijdens zijn verhoor aangegeven dat zijn burn-out het gevolg was van zijn relatie met zijn manager bij Oracle. De situatie was dus direct aan zijn vorige arbeidssituatie gerelateerd. Ook al kan men m.b.t. de mededeling van de burn-out nog een zekere gereserveerdheid aannemen en moet telkens de relevantie van de kennisgeving ervan in concreto worden bekeken, toch diende de heer C. op grond van art. 13 van de cao nr. 38 te goeder trouw alle noodzakelijke gegevens in verband met zijn beroepsverleden te melden, met name het feit dat hij niet minder dan 2 jaar afwezig geweest is en geen prestaties had kunnen leveren m.b.t. de functie, die hij bij Ricoh wilde voortzetten. Het gedurende 2 jaar de facto niet uitoefenen van de job is een belangrijk element van zijn beroepsverleden. Het is precies dat wat hij met opzet heeft willen verbergen door actief een situatie in scène te zetten. Bovendien heeft hij op basis van deze veinzingen een verhoogd verloningspakket bekomen. 23. Ten onrechte wil de heer C. de niet relevantie afleiden uit de ‘job description nr I.11’ (stuk 2 Ricoh). Dit stuk verwijst op meerdere plaatsen naar de welzijnsregels, die een bijzondere aandacht hebben voor het voorkomen van psychosociale belasting. De informatie over zijn stressgevoeligheid was dus wel relevant en de heer C. mocht alleszins niet zover gaan om zijn beroepsverleden actief te verbergen. 24. In deze gegeven omstandigheden aanvaardt het arbeidshof de wilsgebreken van bedrog en dwaling die tot nietigheid van de arbeidsovereenkomst leiden.

(Arbeidshof Brussel 10 oktober 2017 (2016/AB/1126), legidex.com/documents/514034)


130 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven
bottom of page